Om goed te leren praten en lezen, is goed kunnen luisteren essentieel.
Een kind dat moeite heeft met luisteren, kan klanken door elkaar halen. Zo kan het bijvoorbeeld tap horen in plaats van tak, bof in plaats van bos of mes in plaats van mis. In de klas kan dit zich uiten in instructieproblemen, doordat een deel van de opdracht niet wordt onthouden. Sommige kinderen hebben moeite met het nazeggen van losse woorden of zinnen, of met het onthouden van namen van klasgenootjes. Bij dictees kunnen fouten ontstaan omdat klinkers of andere klanken niet goed worden onderscheiden. Ook zie je soms dat kleine, weinig betekenisvolle woorden worden weggelaten, zoals de, en of er. Daarnaast kunnen woorden vervormd worden, bijvoorbeeld zinnenpomp in plaats van benzinepomp of gehaaltje getellen in plaats van verhaaltjes vertellen. Rijmen is vaak ook lastig, omdat het onderscheiden van klanken een belangrijke basis vormt voor lezen en schrijven.


